In tegenstelling tot de bewering dat Israël na de oorlog van juni ’67 plotseling gebieden in handen kreeg, onthullen vrijgegeven documenten gedetailleerde richtlijnen die de IDF had opgesteld vóór de langdurige politiemissie waarmee het zou worden belast.

Jarenlang werd in de meeste Israëlische geschiedschrijving volgehouden dat de besluitvormers van het land verrast waren door de vruchten van de overwinning die in juni 1967 bliksemsnel werden geoogst. “De oorlog,” zei minister van Defensie Moshe Dayan, drie dagen na het einde ervan, “ontwikkelde zich en rolde zich over fronten die niet bedoeld waren en door niemand waren voorgepland, ook niet door mij.” Op basis van deze en andere verklaringen ontstond de opvatting dat de verovering van de gebieden in de oorlog het resultaat was van een snelle glijbaan naar beneden, een nieuwe realiteit die niemand wilde.

Historische documentatie die de afgelopen jaren is opgeslagen in de Israëlische staatsarchieven en de archieven van de Israel Defense Forces and Defense Establishment, noopt ons er echter toe te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die opvatting. De hier aangehaalde informatie vormt slechts een klein deel van een breed scala aan documentatie die in overheidsarchieven wordt bewaard met betrekking tot de verovering van de gebieden, en die geheim blijft. Langdurige volharding was nodig om de derubricering te bewerkstelligen van enkele van de documenten waarop dit artikel is gebaseerd, meldt Haaretz. (Hier het volledige artikel)

De documenten beschrijven gedetailleerde voorbereidingen die in de jaren vóór 1967 in het leger werden getroffen, met de bedoeling van tevoren de controle te organiseren over gebieden waarvan het defensie-apparaat – met grote zekerheid – dacht dat ze in de volgende oorlog zouden worden veroverd. Bij het doornemen van de informatie blijkt dat de overname en het behoud van deze gebieden – de Westelijke Jordaanoever op Jordanië, het Sinaï-schiereiland en de Gazastrook op Egypte, en de Golan-hoogvlakte op Syrië – geen bijproduct van de gevechten waren, maar de manifestatie van een strategische aanpak en voorafgaande voorbereidingen.

De nauwgezette voorbereidingen van de IDF om de gebieden te veroveren waren al vroeg in de jaren zestig begonnen. Ze waren deels het resultaat van de korte en bittere Israëlische ervaring met de verovering – en de daaropvolgende evacuatie – van het Sinaï-schiereiland en de Gazastrook in de Sinaï-oorlog van 1956. Het is tegen deze achtergrond dat we het document moeten begrijpen getiteld “Proposal to Organize the Military Government,,” geschreven door het hoofd van de operaties, kolonel Elad Peled, in juni 1961, en aangeboden aan stafchef Tzvi Tzur. Zes jaar voor de Zesdaagse Oorlog bevatte het voorstel een gedetailleerde, eerste planning voor de strijdkrachten die nodig zouden zijn om te regeren in wat de bezette gebieden zouden worden.

Twee jaar later, in augustus 1963, stelde de Afdeling Generale Staf van de IDF (later de Afdeling Operaties), die toen onder leiding stond van Yitzhak Rabin, een op grote schaal verspreide richtlijn op betreffende de organisatie van het militaire bestuur in de bezette gebieden. Deze order werpt, in zijn woorden, licht op Israëls “verwachte expansierichtingen”, die naar het oordeel van het veiligheidspersoneel het brandpunt zouden vormen van de volgende oorlog. Deze gebieden omvatten de Westelijke Jordaanoever, de Sinaï, de Syrische hoogten en Damascus, en Zuid-Libanon tot aan de Litani-rivier.

De order van augustus 1963 was opgesteld na een evaluatie twee maanden eerder door de militaire regeringseenheid die het leven van de Arabieren binnen Israël controleerde. In interne correspondentie werd gesuggereerd dat de toekomstige organisatie van het bestuur in de gebieden tot op heden “overhaast” was uitgevoerd en “niet volledig aan alle behoeften voldoet”.

In het document, “Organization Order – Military Government in State of Emergency” genoemd, staat dat “het streven van de IDF om de oorlog naar de gebieden van de vijand te verplaatsen noodzakelijkerwijs zal leiden tot uitbreiding [naar] en verovering van gebieden buiten de staatsgrenzen”. Gebaseerd op de Israëlische ervaring in de periode na de Sinaï-campagne, stelde het document dat het noodzakelijk zou zijn om snel een militaire regering te installeren, omdat “deze veroveringen misschien maar van korte duur zullen zijn en we de gebieden zullen moeten evacueren na internationale druk of een regeling.” Het daaropvolgende deel was echter bedoeld voor degenen die de militaire regering in het toekomstige bezette gebied zouden moeten besturen, en het laat de bedoeling van de opstellers van het bevel doorschemeren: “Er zou zich echter een geschikte politieke situatie kunnen ontwikkelen die het mogelijk maakt bezet gebied voor onbepaalde tijd te behouden.”

De exploitatie van die “gunstige situatie” maakte een nauwgezette organisatie van de wijze van militair bestuur in de bezette gebieden noodzakelijk. Dienovereenkomstig besteedde de IDF aandacht aan de opleiding en voorbereiding van de eenheden en administratieve organen die de Palestijnse bevolking zouden besturen. Zij droegen een brede verantwoordelijkheid: van juridische kwesties die verband hielden met de bezetting van gebieden, tot het verzamelen van inlichtingen over de bevolking en de infrastructuur op de Westelijke Jordaanoever.

Terwijl niemand binnen het defensie-establishment de superieure macht van het IDF betwistte en zijn vermogen om snel de gebieden op Egypte, Jordanië en Syrië te veroveren – vóór 1967, waren officieren in het militaire bestuur dat binnen Israël bestond bezorgd over de voorbereiding van de eenheden die in de gebieden zouden regeren. Samen met de militaire doctrine die opriep tot het verplaatsen van de gevechten naar vijandelijk gebied, bestond er een doctrine betreffende de heerschappij over de burgers, gebaseerd op de erkenning dat Israël na een dergelijke machtsovername de controle zou hebben over een bezette burgerbevolking, waarvan het bestuur de oprichting van een militaire regeringsbureaucratie nodig zou maken.

Kol. Yehoshua Verbin, in zijn hoedanigheid van bevelhebber van de militaire regering in Israël tot 1966, met een uitgebreide ervaring in het bedienen van de mechanismen van toezicht en controle op Israëls Palestijnen, speelde een centrale rol in de voorbereidingen voor de uitvoering van het bevel om een militaire regering in de veroverde gebieden in te stellen. In een moment van openhartigheid, in december 1958, gaf hij toe aan een ministeriële commissie die bijeen was gekomen om de toekomst van de militaire regering binnen Israël te bespreken: “Ik heb voor mezelf nog niet eens besloten of we hen meer kwaad of goed doen.” Als hooggeplaatst bevelvoerend officier waarschuwde hij echter in juni 1965 zijn superieur, Haim Bar-Lev, dat de commandostructuren van het bestuur over de bezette gebieden onvoldoende gekwalificeerd waren om hun toekomstige opdracht uit te voeren. “Er is zeer weinig vooruitgang geboekt op dit gebied.” Hij voegde eraan toe: “Het lijkt erop dat de commando’s van het bestuur in bezette gebieden niet geschikt zullen zijn om hun taken te vervullen.” Dit was twee jaar voor de oorlog.

Het was logisch om officieren van het militaire bestuur dat sinds 1948 aan de Palestijnse burgers van Israël was opgelegd, bij de planning te betrekken, omdat het organisatorische en militaire kader dat ten opzichte van die gemeenschap functioneerde, de basis vormde voor de heerschappij in de gebieden die in een oorlog zouden worden veroverd. In 1963 hadden de eenheden van de militaire regering al 15 jaar ervaring met het opleggen van “orde” en toezicht over die Palestijnse burgers, door middel van een streng vergunningenstelsel. Vanuit militair oogpunt was het logisch dat dit orgaan model zou staan voor de regeerstructuur in de gebieden die in de volgende oorlog zouden worden veroverd.

Na de oorlog van 1967 verwierp minister van Defensie Dayan echter het voorstel van de chef van de Shin Bet-veiligheidsdienst, Yosef Harmelin, om de vormen van controle van het militaire bestuur in Israël na te bootsen in de gebieden (een standpunt dat jarenlang werd aangehaald om Dayans vermeende verlichte visie aan te tonen). Maar hoewel Dayan er over het algemeen van afzag voormalige militaire gouverneurs van binnen Israël te benoemen tot gouverneurs aan de andere kant van de Groene Lijn, had de normalisering van de “verlichte bezetting” een karakter dat vergelijkbaar was met dat van de militaire regering die binnen Israël had bestaan. Hoe vager de tijdelijke aard van de bezetting werd, des te gewelddadiger en wreder werd zij.

Om de directe lijn te illustreren die de militaire regering die binnen Israël bestond (tot december 1966) verbond met die in de gebieden na de oorlog van juni 1967, is het voldoende te kijken naar de metamorfose die haar officiële takken ondergingen. In de maanden na de oorlog werd de eenheid die de militaire regering in Israël had geleid, omgedoopt tot het “departement van militair bestuur en territoriale veiligheid”. Tegenwoordig is het bekend onder een andere, meer pakkende naam: “Coördinator van Regeringsactiviteiten in de Gebieden.”

Afbeelding: Arabische krijgsgevangenen worden geblinddoekt naar het verhoor geleid in de Oude Stad van Jeruzalem, 8 juni 1967.

1 REACTIE

  1. Belachelijk want hoe kun je iets wat van B’nei Israel is verovert worden door b’nei Israel. Lees eers wat meer en graag voordat de dief Mohammed de teks uit de Torah heeft gestolen en verdraait net zoals de Christenen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here