In de afgelopen jaren, vooral in de nasleep van de aanslagen van 9/11, wordt de islam in toenemende mate gepresenteerd als een ‘onverbiddelijke’ vijand van de andere twee monotheïstische religies – het Jodendom en het christendom. Toch vertelt de geschiedenis een ander verhaal. Het christendom was lange tijd in strijd met wat een Joods-islamitische wereld kan worden genoemd. 

Joden in het Ottomaanse Rijk en Turkije:

De geschiedenis van de Joden in Anatolië begon vele eeuwen voor de migratie van de Sefardische Joden. Restanten van Joodse nederzettingen uit de 4e eeuw voor Christus zijn in de Egeïsche Zee blootgelegd. De historicus Josephus Flavius vertelt dat Aristoteles “Joodse mensen heeft ontmoet waarmee hij tijdens zijn reis door Klein-Azië van gedachten heeft gewisseld”.

In Sardis, bij Izmir, zijn oude synagoge-ruïnes gevonden die dateren van 220 voor Christus en er zijn sporen van andere Joodse nederzettingen ontdekt in de buurt van Bursa, in het zuidoosten en langs de Egeïsche, mediterrane en Zwarte Zeekusten. Een bronzen zuil die in Ankara is gevonden, bevestigt de rechten die keizer Augustus aan de Joden van Klein-Azië heeft toegekend.

De Joodse gemeenschappen in Anatolië bloeiden op en bloeiden verder op door de Turkse verovering. Toen de Ottomanen Bursa in 1324 veroverden en er hun hoofdstad van maakten, vonden ze een Joodse gemeenschap die onder Byzantijnse heerschappij werd onderdrukt. De Joden verwelkomden de Osmanen als redders. Sultan Orhan gaf hen toestemming om de Etz ha-Hayyim (Boom van Leven) synagoge te bouwen die tot 50 jaar geleden in gebruik bleef.

In het begin van de 14e eeuw, toen de Osmanen hun hoofdstad in Edirne hadden gevestigd, trokken Joden uit Europa, waaronder Karaieten, erheen. Ook de Joden die in 1376 uit Hongarije werden verdreven, in september 1394 door Karel VI uit Frankrijk en in het begin van de 15e eeuw uit Sicilië, vonden een toevluchtsoord in het Ottomaanse Rijk. In de jaren 1420 vluchten de Joden uit Salonika, die toen onder Venetiaans bestuur stonden, naar Edirne.

rabbijn Yitzhak Sarfati

De Ottomaanse heerschappij was veel toleranter dan de Byzantijnse heerschappij was geweest. Vanaf het begin van de 15e eeuw stimuleerden de Osmanen zelfs actief de Joodse immigratie. Een brief van rabbijn Yitzhak Sarfati (uit Edirne) aan de Joodse gemeenschappen in Europa in het eerste deel van de eeuw “nodigde zijn co-religionisten uit om de kwellingen die ze in het christendom moesten doorstaan achter zich te laten en om veiligheid en welvaart in Turkije te zoeken“.

Toen Mehmet II “de Veroveraar” in 1453 Constantinopel innam, ontmoette hij een onderdrukte Romaanse (Byzantijnse) Joodse gemeenschap die hem met enthousiasme verwelkomde. Sultan Mehmet II vaardigde een proclamatie uit aan alle Joden “… om de plaats van de keizerlijke troon te beklimmen, om in het beste van het land te wonen, elk onder zijn Diner en zijn vijgenboom, met zilver en met goud, met rijkdom en met vee…”.

In 1470 vonden de Joden die door Ludwig X uit Beieren werden verdreven, hun toevlucht in het Ottomaanse Rijk.

In 1492 gaf het Spaanse koningspaar Isabelle I en Ferdinand II het bevel de Joden uit het land te verdrijven – een maatregel die honderdduizenden mensen die daar al generaties lang geworteld waren en waarvan de voorouders in de Spaanse bodem waren begraven, onmiddellijk de dupe werd.

Geconfronteerd met de verdrijving van de Joden uit Spanje beval sultan Bayazid II de gouverneurs van de provincies van het Ottomaanse Rijk “de Joden niet de toegang te ontzeggen of hen moeilijkheden te bezorgen, maar hen van harte te ontvangen”. Volgens Bernard Lewis “mochten de Joden zich niet alleen in de Ottomaanse landen vestigen, maar werden ze aangemoedigd, geholpen en soms zelfs gedwongen”.

Immanuele Aboab schrijft Bayazid II de beroemde opmerking toe dat “de katholieke vorst Ferdinand ten onrechte als wijs werd beschouwd, aangezien hij Spanje verarmde door de verdrijving van de Joden, en Turkije verrijkte”.

De komst van de Sefardis veranderde de structuur van de gemeenschap en de oorspronkelijke groep Romaanse Joden werd volledig geabsorbeerd.

Ferdinand 1

In de loop der eeuwen vestigden zich steeds meer Europese Joden, die aan vervolging in hun geboorteland ontkwamen, in het Ottomaanse Rijk. In 1537 werden de Joden uit Apulië (Italië) verdreven nadat de stad onder pauselijk gezag was komen te staan, en in 1542 vonden degenen die door koning Ferdinand uit Bohemen waren verdreven een veilig onderkomen in het Ottomaanse Rijk. In maart 1556 schreef sultan Suleyman “the Magnificent” een brief aan paus Paulus IV waarin hij vroeg om de onmiddellijke vrijlating van de Ancona Marranos (onder dwang gedoopte Joden), die hij verklaarde Osmaanse burgers te zijn. De Paus had geen ander alternatief dan hen vrij te laten, aangezien het Osmaanse Rijk de “supermacht” van die tijd was.

In 1477 waren er in Istanbul 1647 Joodse huishoudens, oftewel 11% van het totaal. Een halve eeuw later werden 8070 Joodse huizen in de stad op de monumentenlijst geplaatst.

De welvaart en creativiteit van de Ottomaanse Joden was gedurende 300 jaar na de verdrijving gelijk aan die van de Gouden Eeuw van Spanje. Vier Turkse steden: Istanbul, Izmir, Safed en Salonika werden de centra van het Sefardische Jodendom.

De meeste hofartsen waren Joden: Hakim Yakoub, Joseph en Moshe Hamon, Daniel Fonseca, Gabriel Buenaventura om er maar een paar te noemen.

Een van de belangrijkste vernieuwingen die de Joden in het Ottomaanse Rijk brachten, was de drukpers. In 1493, slechts een jaar na hun verdrijving uit Spanje, richtten David & Samuel ibn Nahmias de eerste Hebreeuwse drukpers op in Istanbul.

De Ottomaanse diplomatie werd vaak uitgevoerd door Joden. Joseph Nasi, benoemd tot hertog van Naxos, was de voormalige Portugese Marrano Joao Miques. Een andere Portugese Marraan, Aluaro Mandes, werd benoemd tot hertog van Mytylene in ruil voor zijn diplomatieke diensten aan de Sultan. Salamon ben Nathan Eskenazi regelde de eerste diplomatieke banden met het Britse Rijk. Joodse vrouwen zoals Dona Gracia Mendes Nasi “La Seniora” en Esther Kyra oefenden een aanzienlijke invloed uit op het Hof.

rabbijn Joseph Caro

In de vrije lucht van het Ottomaanse Rijk bloeide de Joodse literatuur op. Joseph Caro stelde de Sjoelhan Arouh samen. Shlomo haLevi Alkabes componeerde de Lekhah Dodi, een hymne die de sabbat verwelkomt volgens zowel het sefardische als het asjkenazische ritueel. Jacob Culi begon de beroemde MeAm Loez te schrijven. Rabbijn Abraham ben Isaac Assa werd bekend als de vader van de Joods-Spaanse literatuur.

Op 27 oktober 1840 vaardigde sultan Abdulmecid zijn beroemde fatwa uit over de “Blood Libel Accusation”: “…en uit liefde voor onze onderdanen kunnen we niet toestaan dat de Joodse natie, wiens onschuld voor de tegen hen aangeklaagde misdaad duidelijk is, zich zorgen maakt en gekweld wordt als gevolg van beschuldigingen die niet de minste basis hebben in de waarheid…”

Volgens de Ottomaanse traditie was elke niet-moslim religieuze gemeenschap verantwoordelijk voor haar eigen instellingen, inclusief scholen. In het begin van de 19e eeuw richtte Abraham de Camondo een moderne school op, “La Escola”, die een ernstig conflict tussen conservatieve en seculiere rabbijnen veroorzaakte, dat pas in 1864 door de tussenkomst van sultan Abdulaziz werd opgelost. In datzelfde jaar werd de Takkanot haKehilla (Statuten van de Joodse Gemeenschap) gepubliceerd, waarin de structuur van de Joodse gemeenschap werd vastgelegd.

Een belangrijke gebeurtenis in het leven van de Ottomaanse Joden in de 17e eeuw was het schisma onder leiding van Sabetay Sevi, de pseudo-Messias die in Izmir leefde en later de Islam adopteerde met zijn volgelingen.

Inspanningen tot hervorming van het Osmaanse Rijk leidden tot de afkondiging van de Hatti Humayun in 1856, waardoor alle Osmaanse burgers, zowel moslims als niet-moslims, gelijk waren voor de wet. Als gevolg daarvan begon het leiderschap van de gemeenschap te verschuiven van het religieuze establishment naar de seculiere krachten.

De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan de glorie van het Ottomaanse Rijk. In plaats daarvan kwam de jonge Turkse Republiek. Mustafa Kemal Atatürk werd tot president gekozen, het kalifaat werd afgeschaft en er werd een seculiere grondwet aangenomen.

De alcoholist Ataturk moet overeind gehouden worden als hij Dersim bezoekt waar hij net 30.000 Koerden af heeft laten slachten als dank voor hun bijdrage aan de genocide op de Armeniërs.

Turkije werd in 1923 door het Verdrag van Lausanne erkend als een volledig onafhankelijke staat binnen zijn huidige grenzen en kende minderheidsrechten toe aan de drie belangrijkste niet-moslim religieuze minderheden en stond hen toe door te gaan met hun eigen scholen, sociale instellingen en fondsen. In 1926, aan de vooravond van de aanneming door Turkije van het Zwitserse burgerlijk wetboek, deed de Joodse Gemeenschap afstand van haar minderheidsstatus op het gebied van persoonlijke rechten.

In het begin waren de betrekkingen tussen de nieuwe republiek en de Joodse gemeenschap niet idyllisch. De Joden waren een toonbeeld van trouw aan het Ottomaanse Rijk en de meeste waren niet republikeins. Ze werden bekritiseerd in de pers en wekten de vijandigheid van extremistische moslims en antisemitische randfiguren op, terwijl ze een hartelijke relatie met de mainstream moslimsamenleving onderhielden en niet werden vervolgd.

In de jaren 1920-1930 waren Joden onderhevig aan kritiek omdat ze Joods-Spaans spraken en Turks Frans en Hebreeuws verving op Joodse scholen. Een wet in 1932 verbood religieus onderwijs op alle scholen, terwijl taal- en bijbelstudies op Joodse scholen door lekenonderwijzers moesten worden onderwezen.

Tijdens de tragische dagen van de Tweede Wereldoorlog wist Turkije zijn neutraliteit te behouden. Al in 1933 nodigde Atatürk een aantal prominente Duitse Joodse professoren uit om nazi-Duitsland te ontvluchten en zich in Turkije te vestigen. Voor en tijdens de oorlogsjaren droegen deze geleerden veel bij aan de ontwikkeling van het Turkse universitaire systeem. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Turkije als een veilige doorgang voor veel Joden die de verschrikkingen van het nazisme ontvluchtten. Terwijl de Joodse gemeenschappen in Griekenland bijna volledig werden weggevaagd door Hitler, bleven de Turkse Joden veilig.

Verschillende Turkse diplomaten zoals de Ambassadeurs Behic Erkin en Numan Menemencioglu; Consul-generaal Fikret Sefik Ozdoganci, Bedii Arbel, Selahattin Ulkumen; Consuls Namik Kemal Yolga en Necdet Kent hielpen de Turkse Joden in Europese landen te redden van de Holocaust. De heer Salahattin Ulkumen, consul-generaal op het Griekse eiland Rhodos in 1943 en 1944, werd in juni 1990 door Yad Vashem erkend als een rechtvaardige niet-Jood.

De huidige omvang van de Joodse gemeenschap wordt geschat op ongeveer 26000. De overgrote meerderheid woont in Istanbul, met een gemeenschap van ongeveer 2500 in Izmir en andere kleinere groepen in Adana, Ankara, Bursa, Canakkale, Iskenderun en Kirklareli. Sefardis maken 96% van de gemeenschap uit, Ashkenazis de rest. Er zijn ongeveer 100 Karaieten, een onafhankelijke groep die het gezag van de opperrabbijn niet accepteert.

De Turkse Joden worden, net als eeuwenlang, wettelijk vertegenwoordigd door de Hahambasi, de opperrabbijn. Synagogen worden geclassificeerd als religieuze stichtingen (Vakifs). Er zijn vandaag de dag 16 synagogen in gebruik in Istanbul. Drie zijn in dienst in vakantieoorden, alleen in de zomer. Sommige zijn zeer oud, vooral de Ahrida Synagoge in de wijk Balat, die dateert uit het midden van de vijftiende eeuw. De 15e en 16e eeuwse Haskoy en Kuzguncuk begraafplaatsen in Istanbul zijn vandaag de dag nog steeds in gebruik.

De laatste jaren is deze trotse en oude gemeenschap in toenemende mate bang voor de opkomst van het radicale islamisme in bepaalde sectoren van de Turkse samenleving.


Mohammedanen en Joden hebben een uitgebreide geschiedenis van collaboratie direct vanaf het begin van de islam. Het meest sprekende voorbeeld is wel de Joodse assistentie bij de islamitische onderwerping van christelijk Spanje:

Europeanen, Joden, moslims en de erfenis van het islamitische Spanje – Deel 1: De Joodse rol bij de Moorse invasie en bezetting

Waar ze gezellig samenleefden:

Joden in islamitisch Spanje

En toen ze vandaar verdreven werden zetten ze hun samenwerking moeiteloos een halve wereld verderop, op het Indiase sub-continent, voort:

Een Joods-islamitische ideologie – analyse

En zoals Joden gewend waren de stadspoorten in Spanje voor de Mohammedanen te openen, deden ze dat ook op Rhodos, en zouden ze dat ook in Constantinopel gedaan hebben.

En om bij Turkije te blijven; Werkten ze samen aan de genocide op de christelijke Armeniërs 1, 2, 3, 4. En diezelfde Donmeh crypto-Joden (van Sabatai Zevi, hierboven genoemd) stonden aan de basis van het Wahabistische Saoedi-Barbarije 1, 2, 3, 4.

En vandaag de dag is het niet anders. Het zijn Joden die de poorten van het Westen openzetten voor immigratie en onze vervanging in hun media aanprijzen.

“Het christendom was lange tijd in strijd met wat een Joods-islamitische wereld kan worden genoemd”. 

En er is in al die eeuwen niks veranderd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here