De Islam heeft het Jodendom gered. Dit is een onpopulaire, ongemakkelijke claim in de moderne wereld. Maar het is een historische waarheid. Het argument daarvoor is dubbel. Ten eerste, in 570 CE, toen de profeet Mohammed werd geboren, waren de Joden en het Jodendom op weg naar de vergetelheid. En ten tweede heeft de komst van de Islam hen gered, waardoor een nieuwe context ontstond waarin zij niet alleen overleefden, maar ook tot bloei kwamen en de basis werd gelegd voor de latere Joodse culturele welvaart – ook in het christendom – gedurende de middeleeuwse periode tot in de moderne wereld.

The Jewish Chronicle: De Islam heeft het Jodendom gered. Dit is een onpopulaire, ongemakkelijke claim in de moderne wereld. Maar het is een historische waarheid.

Dus, wat deden de moslims voor de Joden?

In de vierde eeuw was het christendom de dominante religie in het Romeinse rijk geworden. Een aspect van dit succes was het verzet tegen rivaliserende geloofsovertuigingen, waaronder het Jodendom, samen met een massale bekering van leden van dergelijke geloofsovertuigingen, soms met geweld, tot het christendom. Een groot deel van onze getuigenis over het Joodse bestaan in het Romeinse rijk bestaat vanaf dat moment uit verslagen van bekeringen.

Grote en permanente verminderingen in aantallen door bekering, tussen de vierde en de zevende eeuw, brachten een geleidelijke maar niet aflatende afbraak van de status, de rechten, het sociale en economische bestaan en het religieuze en culturele leven van de Joden in het hele Romeinse rijk met zich mee.

Door een lange reeks van voorschriften werden de Joden beroofd van hun rechten als burgers, werden ze verhinderd hun religieuze verplichtingen na te komen en werden ze uitgesloten van de samenleving van hun medemens.

Dit ging samen met de eeuwenlange militaire en politieke strijd met Perzië. Als een klein onderdeel binnen de christelijke wereld hadden de Joden niet veel te maken moeten hebben met deze brede, politieke kwestie. Toch heeft het hen kritisch geraakt, omdat het Perzische rijk in die tijd ook Babylon – nu Irak – omvatte, waar destijds de grootste concentratie Joden ter wereld woonde.

Als de Islam niet langs gekomen zou zijn, zou het Jodendom in het westen gedoemd zijn om te verdwijnen, en het Jodendom in het oosten zou gewoon een of andere oosterse cult zijn geworden“.

Hier waren ook de grootste centra van het Joodse intellectuele leven. Het belangrijkste enkelvoudige werk van de Joodse culturele creativiteit in meer dan 3000 jaar, afgezien van de Bijbel zelf – de Talmoed – is in Babylon ontstaan. De strijd tussen Perzië en Byzantium leidde in onze periode in toenemende mate tot een scheiding tussen Joden onder Byzantijns-christelijke, en Perzische heerschappij.

Bovendien leken de Joden die onder christelijk bestuur leefden de kennis van hun eigen cultureel specifieke talen – Hebreeuws en Aramees – te hebben verloren en het gebruik van Latijn of Grieks of andere niet-Joodse, lokale, talen te hebben overgenomen. Dit moet op zijn beurt hebben betekend dat zij ook de toegang verloren hebben tot de centrale literaire werken van de Joodse cultuur – de Tora, Misjnah, poëzie, midrash, zelfs de liturgie.

Het verlies van de verenigende kracht van de taal – en van de bijbehorende literatuur – was een grote stap in de richting van assimilatie en verdwijning. In deze omstandigheden, met het contact met de enige plaats waar het Joodse culturele leven bleef bloeien – Babylon – afgesneden door het conflict met Perzië, was het Joodse leven in de christelijke wereld van de late oudheid niet slechts een bleke schaduw van wat het drie of vier eeuwen eerder was geweest. Het was gedoemd.

Als de Islam niet langsgekomen zou, zou het conflict met Perzië zijn doorgegaan. De scheiding tussen het westerse Jodendom, dat van het christendom, en het Babylonische Jodendom, dat van Mesopotamië, zou zijn versterkt. Het Jodendom in het westen zou in veel gebieden zijn verdwenen. En het Jodendom in het oosten zou slechts de zoveelste oosterse cult zijn geworden.

“Maar dit alles werd verhinderd door de opkomst van de Islam. De islamitische veroveringen van de zevende eeuw veranderden de wereld, en deden dat met een dramatisch, veelomvattend en blijvend effect voor de Joden”.

Binnen een eeuw na de dood van Mohammed, in 632, hadden de moslimlegers bijna de hele wereld veroverd waar de Joden woonden, van Spanje oostwaarts via Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot aan de oostelijke grens van Iran en daarbuiten. Bijna alle Joden in de wereld werden nu geregeerd door de Islam. Deze nieuwe situatie veranderde het Joodse bestaan. Hun fortuin veranderde in juridische, demografische, sociale, religieuze, politieke, geografische, economische, linguïstische en culturele termen – allemaal ten goede.

Ten eerste verbeterden de zaken politiek. Bijna overal in het Christendom waar Joden hadden gewoond, maakten ze nu deel uit van dezelfde politieke ruimte als Babylon – Córdoba en Basra lagen in dezelfde politieke wereld. De oude grens tussen het vitale centrum in Babylonië en de Joden van het Middellandse-Zeebekken werd voor altijd weggevaagd.

Dit moet niet verkeerd begrepen worden: tweederangsburger zijn was een veel betere zaak dan helemaal geen burger zijn. Voor de meeste van deze Joden betekende het tweederangs burgerschap een grote vooruitgang. In het Visigotische Spanje bijvoorbeeld, kort voor de moslimverovering in 711, hadden de Joden hun kinderen zien weghalen en hen onder dwang tot het christendom zien bekeren en waren ze zelf tot slaaf gemaakt.


Het is wel een Joodse krant die dit schrijft en deze weergave zal dus niet onpartijdig zijn. Hier wordt beweerd dat de reden voor de Joden, om de Mohammedaanse veroveraars binnen te laten was, dat zij hun rechten verloren in het christelijke Spanje. Meer specifiek; hun recht om christenen als slaven te verkopen.

Europeanen, Joden, moslims en de erfenis van het islamitische Spanje – Deel 1: De Joodse rol bij de Moorse invasie en bezetting


In de zich ontwikkelende islamitische samenlevingen van de klassieke en middeleeuwse perioden betekende Jood zijn dat je tot een categorie behoorde die door de wet is gedefinieerd, bepaalde rechten en bescherming geniet, naast verschillende verplichtingen. Deze rechten en bescherming waren niet zo uitgebreid of genereus als die van moslims, en de verplichtingen waren groter, maar de eerste paar eeuwen vormden de moslims zelf een minderheid, en de praktische verschillen waren niet zo groot.

Samen met juridische bijna-gelijkheid kwam sociale en economische gelijkheid. Joden waren niet beperkt tot getto’s, noch letterlijk, noch in termen van economische activiteit. De samenlevingen van de Islam waren in feite open samenlevingen. Ook in religieus opzicht genoten Joden vrijwel volledige vrijheid. Ze bouwden misschien niet veel nieuwe synagogen – in theorie – en ze beleden hun geloof misschien niet al te openbaar, maar er was niet echt een significante beperking op de beoefening van hun religie. Behalve interne juridische autonomie genoten ze ook formele vertegenwoordiging, via eigen leiders, bij de autoriteiten van de staat. Onvolmaakt en vaak niet zo rooskleurig als dit misschien klinkt, het was in ieder geval de brede norm.

De politieke eenheid die door het nieuwe islamitische wereldrijk werd gebracht, duurde niet lang, maar het creëerde een enorme islamitische wereldbeschaving, vergelijkbaar met de oudere christelijke beschaving die het verving. Binnen dit enorme gebied woonden en genoten Joden overal in grote lijnen dezelfde status en rechten. Ze konden zich verplaatsen, contacten onderhouden en hun identiteit als Joden ontwikkelen. Een grote nieuwe expansie van de handel vanaf de negende eeuw bracht de Spaanse Joden – net als de moslims – in contact met de Joden en de moslims zelfs van India.

Dit alles werd aangemoedigd door een verdere, kritische ontwikkeling. Enorme aantallen mensen in de nieuwe wereld van de islam hebben de taal van de islamitische Arabieren overgenomen. Het Arabisch werd geleidelijk aan de hoofdtaal van dit uitgestrekte gebied, met uitzondering van Grieks en Syrisch, Aramees en Koptisch en Latijn stierven bijna alle andere uit en werden vervangen door het Arabisch. Ook Perzisch ging in een lange retraite, om later weer sterk beïnvloed te worden door het Arabisch.

De Joden stapten heel snel over op het Arabisch. Aan het begin van de 10e eeuw, slechts 300 jaar na de veroveringen, vertaalde Sa’adya Gaon de Bijbel in het Arabisch. Bijbelvertaling is een enorme taak – het wordt niet ondernomen tenzij er behoefte aan is. Rond het jaar 900 hadden de Joden andere talen grotendeels verlaten en het Arabisch aangenomen.

De verandering van de taal bracht de Joden op hun beurt in direct contact met bredere culturele ontwikkelingen. Het resultaat vanaf de 10e eeuw was een opvallende vermenging van twee culturen. De Joden in de islamitische wereld ontwikkelden een geheel nieuwe cultuur, die qua taal, cultuurvorm, invloeden en gebruik verschilde van hun cultuur voor de Islam. In plaats van zich vooral bezig te houden met religie, vermengde de nieuwe Joodse cultuur van de islamitische wereld, net als die van haar buren, het religieuze en het seculiere in hoge mate. Het contrast, zowel met het verleden als met het middeleeuwse christelijke Europa, was enorm.

Net als hun buren schreven deze Joden gedeeltelijk in het Arabisch en in een Joodse vorm van die taal. Het gebruik van het Arabisch bracht hen dicht bij de Arabieren. Maar het gebruik van een specifieke Joodse vorm van die taal hield de barrières tussen Jood en moslim in stand. De onderwerpen waarover Joden schreven, en de literaire vormen waarin ze erover schreven, waren grotendeels nieuw, ontleend aan de moslims en ontwikkelden zich parallel met de ontwikkelingen in de Arabische islam.

In deze tijd werd ook het Hebreeuws nieuw leven ingeblazen als een taal van hoge literatuur, parallel aan het gebruik onder de moslims van een hoge vorm van Arabisch voor soortgelijke doeleinden. Samen met het gebruik ervan voor poëzie en artistiek proza, ontstond seculier schrift in alle vormen in het Hebreeuws en in (joods) Arabisch, waarvan sommige van hoge kwaliteit. (In het uitgelichte stuk hierboven wordt dat ook beschreven, hoe het Joodse-geestelijk centrum verschoof van het Midden-oosten naar Cordoba-Spanje, en hoe Al-Andalus niet alleen een Gouden eeuw was voor de Islam maar ook voor het Jodendom)

Veel van de grootste gedichten die sinds de Bijbel in het Hebreeuws zijn geschreven komen uit deze periode. Sa’adya Gaon, Solomon Ibn Gabirol, Ibn Ezra (Mozes en Abraham), Maimonides, Yehuda Halevi, Yehudah al-Harizi, Samuel ha-Nagid, en nog veel meer – al deze namen, die vandaag de dag bekend zijn, behoren tot de eerste rang van Joodse literaire en culturele inspanningen.

Waar hebben deze Joden dit allemaal geproduceerd? Wanneer hebben zij en hun buren deze symbiose, deze manier van samenleven bereikt? De Joden deden het in een aantal centra van excellentie. Het meest in het oog springend was het islamitische Spanje, waar een ware Joodse Gouden Eeuw plaatsvond, naast een golf van culturele verworvenheden onder de moslimbevolking. Het Spaanse geval illustreert ook een meer algemeen patroon.

Wat er in het islamitische Spanje is gebeurd – golven van Joodse culturele voorspoed die gelijk opgaan met golven van culturele voorspoed onder de moslims – is een voorbeeld van een groter patroon in de Arabische islam. In Bagdad, tussen de negende en de twaalfde eeuw; in Qayrawan (in Noord-Afrika), tussen de negende en de elfde eeuw; in Caïro, tussen de tiende en de twaalfde eeuw, en elders, werd de opkomst en ondergang van de culturele centra van de Islam weerspiegeld in de opkomst en ondergang van de Joodse culturele activiteit op dezelfde plaatsen.

Dit was geen toeval en het was ook niet het product van bijzonder verlichte liberale patronage door moslimheersers. Het was het product van een aantal diepere kenmerken van deze samenlevingen, sociaal en cultureel, juridisch en economisch, taalkundig en politiek, die samen de joden van de islamitische wereld in staat stelden en zelfs aanmoedigden om een nieuwe subcultuur te creëren binnen de hoge beschaving van de tijd.

Dit duurde niet eeuwig; de periode van cultureel succesvolle symbiose tussen Jood en Arabische moslim in de middeleeuwen kwam rond 1300 ten einde. In werkelijkheid was het zelfs al eerder zover gekomen, met de algemene relatieve achteruitgang van het belang en de vitaliteit van de Arabische cultuur, zowel in relatie tot de West-Europese culturen als in relatie tot andere culturele vormen binnen de Islam zelf; Perzisch en Turks.

De Joodse culturele welvaart in de middeleeuwen werkte grotendeels als een functie van de islamitische, Arabische culturele (en tot op zekere hoogte politieke) welvaart: toen de islamitische Arabische cultuur bloeide, deed die van de Joden dat ook; toen de islamitische Arabische cultuur achteruitging, deed die van de joden dat ook.

In het geval van de Joden diende het aldus gecreëerde culturele kapitaal echter ook als de kiem voor verdere groei elders – in het christelijke Spanje en in de christelijke wereld meer in het algemeen.

De islamitische wereld was niet de enige inspiratiebron voor de Joodse culturele opleving die later in het christelijke Europa kwam, maar het heeft zeker een belangrijke bijdrage geleverd aan die ontwikkeling. Het belang ervan kan niet worden overschat.

-The Jewish Chronicle

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here