Op 20 december 1917 werd de  bolsjewistische geheime dienst Tsjeka geformeerd. De Tsjeka was een belangrijk instrument voor de rode terreur in Rusland.

De Tsjeka was een Sovjetische veiligheids- en inlichtingendienst, gewoonlijk aangeduid als “geheime politie”; op 20 december 1917 opgericht door Vladimir Lenin (feitelijk Vladimir Iljitsj Ulyanov-Blank, Russisch van gedeeltelijke Joodse afkomst). De naam van de organisatie was oorspronkelijk “buitengewone commissie ter bestrijding van contrarevolutie, speculatie en sabotage”, maar werd ingekort tot “Tsjeka”.

Bij het begin van de oprichting benoemde Lenin de Poolse Jood Feliks Dzerzhinsky (eigenlijk Feliks Rufin Josifovic) tot de hoogste chef van Tsjeka. De Joden waren in het bijzonder prominent aanwezig in het meest gevreesde en bloeddorstige deel van het bolsjewistische staatsapparaat, de Tsjeka.

Geschat wordt dat ongeveer 50 procent van de politieke politie Tsjeka bestond uit Joden met Joodse namen, ongeveer 25 procent waren Joden met aangenomen Russische namen. Alle officieren waren Joden.
De Tsjechische vice-president Martin Lacis (eigenlijk Janis Sudrabs, een Letse Jood) schreef in zijn boek “Tsjeka’s strijd tegen de contrarevolutie” (Moskou, 1921, blz. 8) het volgende:

Wij Israëlieten moeten de toekomstige maatschappij opbouwen met hulp van constante angst voor de vijandelijke aanval.

Op initiatief van Lenin, Lev Trotski (eigenlijk Lev Davidovitsj Bronstein, Jood) en Dzerzjinski werden in 1918 de eerste concentratiekampen gecreëerd om degenen vast te houden die het regime als vijanden zag.

In korte tijd werd Tjeka de grootste en meest wrede staatsveiligheidsorganisatie. De organisatie voerde op iedereen systematische moorden uit waarvan men dacht in de weg te staan om haar doel te bereiken. De Joodse Tsjeka’s kruidde hun moorden vaak met wrede en verderfelijke martelmethoden.

Ze staken onder andere de ogen van de slachtoffers uit, sneden de neus, oren en tong eraf. Volgens bronnen waren er Tsjeka’s die hun slachtoffer de maag opensneden en een stuk van de dunne darm aan een telegraafpaal spijkerden, en daarna de ongelukkige met zweepslagen rond de paal lieten rennen totdat de hele darmlus opgerold was en het slachtoffer dood neerviel.

In Tsjeka’s weekblad publiceerde men lijsten van doodgeschoten en anderszins geëxecuteerde slachtoffers. Volgens deze gegevens werden alleen al in de jaren 1918-19 1,7 miljoen mensen geëxecuteerd.

Opgraving van massagraf buiten Tsjeka’s hoofdkwartier in Kharkov.

Volgens officiële Sovjet-informatie van mei 1922, werden in 1921 en tot april 1922 1.695.904 personen geëxecuteerd. Onder deze slachtoffers waren bisschoppen, professoren, artsen, officieren, politieagenten, advocaten, ambtenaren, journalisten, schrijvers, kunstenaars, verpleegkundigen, arbeiders, boeren. Hun misdaad was “asociaal denken”.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here